Welkom in de artikelen database van CSV. Op deze pagina staan diverse artikelen die betrekking hebben tot de schaatssport.

Wielrennen en de houding
Artikel toegevoegd door: Thijm Post

Fietsen is bewegen en bewegen is gezond. Toch kunnen er tijdens het fietsen allerlei ongemakken en klachten optreden, die het fietsplezier danig verpesten. De oorzaken die hieraan ten grondslag liggen zijn niet altijd eenduidig. De blessures die wij hier bespreken vallen onder de zogenaamde categorie pathomechanische blessures, dit zijn blessures die ontstaan als gevolg van van een incompatibiliteit tussen fietser en fiets. De oorzaken voor blessures als gevolg van fietsen kan men opdelen in twee categorieën, namelijk klachten als gevolg van de afstelling van de fiets en klachten die in principe een lichamelijke oorzaak hebben, maar die versterkt worden door de opgelegde beweging of door de specifieke fietshouding. Bij een steekproef (Stevens 1998) onder 100 wielrenners en trimmers die geen organische afwijkingen vertoonden kwamen de volgende klachten aan de orde:
  • Lage rugpijn (65%)
  • Knie- of beenklachten (18%)
  • Nekpijn (9% gecombineerd met lage rugpijn en 5% zonder rugpijn)
  • Zitklachten (3%)
Omdat de fietsafstelling nog vaak een kwestie is van "trial and error" komt het dus regelmatig voor dat een verkeerde instelling van zadel, stuur en schoenplaten leidt tot blessures. Wat nog steeds, ook in medische en paramedische kringen, wordt onderschat, is dat fietsen een opgelegde beweging is die onnatuurlijk is voor de mens. Als gevolg hiervan kunnen de kleinste onvolkomenheden op het gebied van lichamelijke symmetrie leiden tot allerlei klachten. De ervaring die bikefitting.com heeft in het opmeten van duizenden fietsers heeft aangetoond dat de hoofdoorzaak van vele fietsblessures lichamelijke asymmetrie is. Globaal kan men de klachten die ontstaan tijdens het fietsen onderverdelen in drie hoofdcategorieën:
  • Klachten die onstaan als gevolg van overbelasting en ongetraindheid.
  • Klachten als gevolg van een verkeerde fietsafstelling.
  • Klachten met een lichamelijke oorzaak.
In deze vraagbaak worden alleen klachten besproken die een gevolg kunnen zijn van de laatste twee categorieën. bikefitting.com heeft hiervoor een vraagbaak met vooral op de praktijk gerichte oplossingen voor aangelegd. Uiteraard pretenderen we niet dat deze vraagbaak volledig en gegarandeerd probleemoplossend is, maar met de input die wij van vele fietsers krijgen zal er steeds verder worden gewerkt aan deze doelstelling.

Tot slot, klachten kan men beter voorkomen dan genezen. Zorg er voor dat het materiaal (fiets, kleding, schoeisel etc,) in optimale staat zijn én zorg er voor dat uw fiets past! Een passende en correct afgestelde fiets is dé voorwaarde voor het voorkomen en het oplossen van klachten: fietsen doe je op een fiets die past!

LAGE RUG:

Fietsafstelling:
Lage rugklachten kunnen optreden als de afstand zadel/stuur tekort en/of het hoogteverschil van zadel en stuur te groot is. In de praktijk wordt bij klachten in de lage rug meestal een kortere stuurpen gemonteerd. bikefitting.com's ervaring wijst uit dat de meeste fietsers met lage rugpijn geholpen zijn met een relatief lange "zit" van het bovenlichaam, gecombineerd met een gering of geen verschil in hoogte van zadel en stuur. Hierdoor kan de ruggenwervel als het ware kunnen uitstrekken en worden de tussenwervelschijven ontlast.

Als de zadelpunt (zadel tilt) omhoog staat wordt het bekken als het ware achterover gekanteld met als gevolg dat de lage rug extra bol komt te staan met als gevolg toenemende spanning op de (statische) lage rugspieren. In principe moet het zadeldek horizontaal staan.

Controleer ook regelmatig of het zadel, daar waar de zitbeenderen contact maken, nog recht is. Vaak worden zadels "scheef getrapt" omdat de fietser niet recht op de fiets zitten. Ook als gevolg van een val kan het zadel uit het lood raken. Bij een scheef zadel is de enige remedie vernieuwen!

Fysieke oorzaken:
Elke vorm van asymmetrie, hoe weinig dan ook, leidt tot lage rugklachten. Het is niet meer de vraag of deze fietsers klachten krijgen, maar wanneer en bij welke intensiteit.

Asymmetrie kan optreden als gevolg van beenlengteverschil. Uit onderzoek onder 100 fietsers (Stevens 1998) bleek dat er bij 46% van de fietser sprake was van beenlengteverschil. Het is aan te raden ook de kleinste beenlengte-verschillen te corrigeren (Petracic 1993). Beenlengteverschil kan gecorrigeerd worden met een extra zool in de schoen of door een verhoging van het schoenplaatje aan de buitenzijde van de schoenzool. Als regel kan men aanhouden dat een verschil in het onderbeen volledig gecorrigeerd moet worden en een verschil in het bovenbeen voor de helft. Opvallend is ook dat bij een beenlengteverschil het kortere been meestal zwaarder belast wordt. Een correctie door verschillende cranklengtes te monteren is uit den boze. Dit versterkt alleen maar de asymmetrie omdat het korte been als gevolg van de langere crank (grotere hefboom) nog zwaarder belast zal worden.

Asymmetrie als gevolg van bekkenscheefstand komt ook regelmatig voor en heeft hetzelfde effect op de fietsbeweging als bij een beenlengteverschil alleen het moet anders opgelost worden. Fysiotherapie kan hier de oplossing bieden.

Tenslotte controleer ook de stand van de voeten omdat een verschil in de stand van de enkel/voet kan leiden tot een "beenlengteverschil". Orthopedische binnenzolen kunnen deze verschillen vaak oplossen.

Een onderzoek van Ekkelboom van de Erasmus Universiteit Rotterdam toonde aan dat naar schatting 70-80% van de mensen ooit serieus klachten krijgen van de lage rug. Het sacro-iliacale (SI) gewricht speelt hierbij een belangrijke rol. Laat bij lage rugklachten dit gewricht controleren door de fysiotherapeut.

KNIE & BOVENBEEN

Fietsafstelling:
Een verkeerd ingestelde zadelhoogte kan belastend zijn voor de knieën, in het bijzonder daar waar de knieschijf (patella) en het bovenbeen (femur) contact maken. Een te hoge zadelstand resulteert in een kracht die de knieschijf lateraal verplaatst. In de strekkingfase van de knie wordt de knieschijf lateraal weggedrukt wat op den duur pijn geeft aan de buitenkant van de knieschijf. Dit verschijnsel wordt nog versterkt door de beenstand. Een te lage zadelstand heeft tot gevolg dat het been te veel gebogen is met als consequentie dat er een overbelasting plaatsvindt in het gebied van knieschijf en bovenbeen. Is het zadel te ver naar voren (steile zitbuishoek) geeft ook een kleine hoek in het kniegewicht met dezelfde gevolgen als bij een lage zadelstand.

De longitudinale instelling van de voet (schoen) is van invloed op de efficiëntie van fietsbeweging. De zijwaartse instelling is niet alleen afhankelijk van de natuurlijke stand van de voeten, maar vooral van het opgelegde patroon van de fietsbeweging. Anders gezegd: de positie van de voet op de trapper moet zodanig zijn dat de krachtlijn van het bovenbeen naar het onderbeen midden over de knie loopt. In de praktijk betekent dit dat de binnenkant van de voet parallel staat aan de cirkel die de pedaal beschrijft. Een naar binnen draaien van de schoenplaten en dus naar buiten draaien van de hiel, iets wat in de praktijk vaak voorkomt omdat de fietser te kort met de enkel langs de crank beweegt, geeft een verdraaiing van het onderbeen t.o.v. het bovenbeen en kan knieklachten tot gevolg hebben. Een uitzondering vormen diegene waar de voeten van nature naar binnen wijzen. De schoenplaten kunnen dan zo worden geplaatst dat de hiel enigszins (i.v.m. de rechte lijn die in de kniebeweging minimaal) naar buiten staat. Voor de afstelling van de schoenplaatjes zie ook de Shoe Cleat Adjuster.

Fysieke oorzaken:
De valgus- en varusstand van de met name de voorvoet heeft het effect van supinatie of pronatie tijdens het fietsen. Het gevolg hiervan is dat de knie niet meer in de krachtlijn van het bovenbeen en onderbeen blijft en lateraal gaat afwijken van de ideale lijn. Dit geeft een hoekbelasting op de knie met een verhoogd risico op knieklachten en een verlies van energie.

Volgens een studie van Garbalosa 1994 bleek dat er bij 87% van een onderzochte groep sprake was van een voorvoet varus, 9% had een voorvoet valgus stand en 4% had een neutrale voorvoet stand. Volgens Stevens 1998 bleken van 100 fietsers 31% een ongunstige uitlijning van de voorvoet te hebben. Men kan de voorvoet stand corrigeren door een orthopedische inlegzool of door een voorvoetcorrectie met de Amerikaanse Big Meat wig. In de tekening is weergeven wat het effect is van een voorvoet varus en wat de correctie bewerkstelligt op de laterale uitslag van de knie. Overigens wordt deze wig niet rechtstreek onder de voorvoet geplaatst, maar tussen het schoenplaatje en de schoenzool. De fabrikant heeft ook het effect van de Big Meat laten meten op het vermogen van de fietser. Hieruit bleek dat de power-output toenam met gemiddeld 1,9% (Reuter 1997).

Bij een beenlengteverschil wordt meestal het korte been zwaarder belast dan het lange been. Als gevolg van de opgelegde beweging moet het lengteverschil gecorrigeerd worden en dit gebeurd door het lange been tijdens het fietsen naar buiten te drukken om zo het lengteverschil te compenseren. De knie blijft niet in de krachtlijn en zal dus minder zwaar belast worden. Men vindt bij dit type fietser dan ook een asymmetrische spierontwikkeling. Het bovenbeen van het korte been is sterker ontwikkeld en deze asymmetrie loopt diagonaal door het bewegingsapparaat, want het onderbeen is sterker bij het lange been. Overbelasting als gevolg van deze asymmetrische fietscyclus is vaak aan de orde en dit uit zich dan in knieklachten van het korte been. Overigens heeft de fietser met deze afwijking bijna altijd last van lage rug pijn; simpelweg omdat hij scheef op zijn fiets zit. Omgekeerd wordt ook soms het lange been zwaarder belast. Dit type fietser corrigeert onbewust zijn beenlengteverschil vanuit de rug. Hij zit dan wel recht op de fiets maar kan alleen via het lange been kracht uitoefenen, omdat hij anders scheef op de fiets komt. De diagonale asymmetrie is hier precies omgekeerd aan bovenstaand type fietser en uit zich hier door knieklachten aan het lange been.

Fietsers met X- dan wel O-benen hebben het probleem dat de krachtlijn niet recht over de knie loopt en dus een verhoogde kans op knieklachten. Deze klachten kunnen deels worden verholpen c.q. voorkomen door te kiezen voor een schoen en een pedaalsysteem waarin de voorvoet een zekere laterale vrijheid blijft behouden en/of door orthopedische steunzolen.

NEK & SCHOUDER

Fietsafstelling:
Nek- en schouderklachten treden op als de afstand van zadel naar stuur te kort is en/of het hoogteverschil tussen deze twee te groot is. De fietser rijdt dan met een kattenrug en het kost extra inspanning om zijn blik naar voren gericht te houden.


Wanneer de afstand van zadel naar stuur te lang is en de zit te gerekt kan dat ook schouder- en nekklachten oproepen als gevolg van toenemende spierspanning in de nekextensoren.

Regelmatig wisselen van de positie van de handen op het stuur kan nekpijn voorkomen. Daarom is voor het fietsen van lange afstanden een racestuur doorgaans comfortabeler omdat men meer keuze heeft waar de handen worden geplaatst.

Een te breed stuur kan tot gevolg hebben dat men als het ware gaat doorzakken in de schouderbladen wat op den duur een vervelende pijn kan veroorzaken De stuurbreedte moet corresponderen met de schouderbreedte.

Fysieke oorzaken:
Fysieke asymmetrie heeft nekklachten tot gevolg. In het bijzonder wijzen we hier ook nog op armlengteverschil. Bij het onderzoek onder de 100 fietsers had maar liefs 81% armlengteverschil (Stevens 1998). Door de remgrepen op verschillende hoogte te plaatsen en het stuurlint aan een kant extra op te vullen kan men een armlengteverschil deels compenseren.

Fietsers met een scoliose (zijwaartse verkromming van de ruggegraad) hebben bijna zonder uitzondering last van nek- en/of schouderklachten bij een vooroverliggende romphouding op de fiets. Medische behandeling kan hier mogelijk een oplossing bieden.





ZITPROBLEMEN

Fietsafstelling:
Met uitzondering van wanneer men op de pedalen staat draagt het zadel het grootste deel van het gewicht van de fietser. Met als gevolg dat zitproblemen relatief veel en vaak voorkomen. Diverse onderzoeken en enquêtes tonen aan dat het merendeel van de fietsers wel eens heeft te maken gehad met zitklachten. Opvallend hierbij is dat vrouwen doorgaans meer "last" hebben van zadelpijn dan mannen.

Hoofdzaken van het optreden van zadelpijn is de ongetraindheid van de fietser en het gebruik van slechte kleding. Gewenning aan de specifieke zit op een fietszadel kan enige tijd duren. Het gebruik van een racebroek is bij het rijden van langere afstanden een must om klachten te voorkomen.

Het zadel dient te passen. Dit is gemakkelijker gezegd dan in de praktijk blijkt omdat er geen sluitende methodes zijn waarmee men een zadel kan aanmeten. Allereerst hangt de breedte van het zadel af van de breedte van het bekken, of beter gezegd van de afstand van de zitbotjes. Vrouwen (1) hebben doorgaans een breder en een anders gevormd bekken dan mannen (2). Met de zadelbreedte en -vorm dient men hiermee rekening te houden.
De breedte van het zadel hangt ook af van de houding van het bovenlichaam; zit men meer rechtop dan is een breder zadel comfortabel en omgekeerd als de romp meer voorovergebogen is dan blijkt een smaller zadel prettiger. In de praktijk is het vinden van een passend en comfortabel zadel een kwestie van trial and error.
Als het zadel niet horizontaal staat kan dit leiden tot zowel zit- als rugklachten. Als het zadel te hoog staat gaat men kantelen in het bekken gedurende het fietsen wat kan leiden tot overmatig schuren op het zadel en irritatie van de huid.

Wanneer men te rechtop op de fiets zit neemt de druk op het zadel verhoudingsgewijs toe. Een wat langer "zit" kan dit oplossen omdat armen en handen dan een deel van het gewicht van het bovenlichaam overnemen.

Fysieke oorzaken:
Door de druk op het zadel en het ontstaan van warmte en zweet kunnen allerlei vervelende klachten optreden. Naast bovenstaande wenken is het aan te bevelen de huid te preparen met speciale crème of (antiseptische) poeder en het onderhouden van de hygiëne. Beenlengteverschil en/of bekkenscheefstand heeft een scheve zit op het zadel tot gevolg. Het resultaat is disproportionele druk en meer kans op zitklachten.

Mannen met klachten aan de prostaat zullen vaak ook last hebben van zadelpijn en dat vaak gecombineerd met een lichte pijn in de lage rug. Bezoek aan de huisarts is in deze gevallen absoluut aan te raden.

Fietser waarbij het bekken naar voren kantelt als gevolg van de vooroverliggende positie van het bovenlichaam hebben vaak last van gevoelloosheid in de genitaliën. De oplossing kan dan gezocht worden in het naar beneden aflopen van de zadelpunt, hoger plaatsen van het stuur en het trainen van de buikspieren.

VOET EN ENKEL

Fietsafstelling:
Een te ver naar voren geplaatst schoenplaatje verhoogd de instabiliteit van de voet met als gevolg dat de achillespees en de kuitspier zwaarder worden belast om dit te compenseren. De remedie hiervoor is het schoenplaatje zodanig af te stellen dat de bal van de voet zich exact boven de pedaalas bevindt.

Een pijnlijke achillespees en kuitspier kan ook duiden op een te lage zadelstand. Dit leidt er vaak toe dat de lage zadelstand gecompenseerd wordt door de hielen ver naar onder te drukken om zodoende de afstand zadel/pedaal te "verlengen". Hierbij vindt dan een overstrekking ven de achillespees en kuitspier plaats. Het zadel moet dus hoger ingesteld worden. Maar dit moet met beleid gebeuren omdat deze specifieke pedaleerstijl niet van de ene op de andere dag verandert. Plaats het zadel geleidelijk aan hoger en neem iedere keer voldoende tijd om een nieuwe traptechniek eigen te maken.

Fysieke oorzaken:
Een bekend fenomeen bij fietser is het hebben van "branderige" voeten. De oorzaak hiervoor moet met name gezocht worden in de starheid van de verbinding voet/schoen en schoen/pedaal. Voor de effectiviteit van de beweging is het noodzakelijk dat deze verbinding zo rigide mogelijk is. De drukverdeling onder de voet is niet gelijkmatig verdeeld, omdat de druk zich bijna volledig concentreert onder de bal van de voet, terwijl de aansluiting van de stijve schoenzool en de voet vaak niet volledig is. De oplossing van dit probleem wordt vaak gevonden door de binnenzool van de schoen te vervangen door een zool gemaakt van materiaal dat zich vormt naar de voetzool, of door een comfortzool of orthopedische inlegzool.

Tintelende en of "dode" tenen kunnen ook een resultaat zijn van een te de rigide verbinding van voet en schoen. Een fietsschoen hoeft alleen stabiliteit te geven rondom de hiel met een stevige contrefort en onder het voetgewelf om doorzakken van de voet te voorkomen; terhoogte van de voorvoet mag, of eigenlijk moet, een raceschoen voldoende ruimte hebben in de breedte en de hoogte zodat de tenen voldoende speling hebben en nog eniger mate kunnen bewegen.

Het optreden van achillespeesklachten kan het gevolg zijn van sterk verkorte kuitspieren. Het regelmatig rekken van de kuitspieren is dan de remedie.

HAND- & POLSKLACHTEN

Fietsafstelling:
Gevoelloze handen tijdens het fietsen is een vaak voorkomende klacht; zeker bij de minder getrainde fietsers. De oorzaak ligt vooral een het langdurig aanhouden van een en dezelfde houding op het stuur. Regelmatig verplaatsen van de handen in een andere positie op het stuur en racehandschoenen met polstering kunnen dit voorkomen. Hand- en pols klachten worden ook vaak veroorzaakt door een verkeerde instelling van het stuur. Een instelling van het stuur zorgt ervoor dat pols en hand in één lijn komen te liggen. Als het hoogteverschil tussen zadel en stuur te groot is, steunt er relatief veel lichaamsgewicht op hand en pols. Ook zullen de ellebogen bijna of geheel gestrekt worden wat tot gevolg heeft de fietser minder goed de klappen van het voorwiel kan opvangen. Een hoek van ±120 graden tussen onder- en bovenarm blijkt zowel voldoende demping voor het bovenlichaam te waarborgen, als ook voldoende comfort te geven.

Fysieke oorzaken:
Armlengteverschil kan een ongelijkmatige drukverdeling tussen beide handen opleveren met als gevolg gevoelloosheid in hand en/of pols. Volgens een epidemiologische studie van De Krom heeft maar liefs 9% van alle volwassen vrouwen klachten als gevolg van het Carpal tunnel syndroom; bij mannen is dit percentage rond de 0,6 procent. Het Carpal tunnel syndroom is een vernauwing van de doorgang van de bloedvaten en de zenuwbanen naar de hand. Dit leidt tot zeker bij fietsen tot gevoelloze handen. Met een relatief eenvoudige operatieve ingreep kan dit probleem opgelost worden.

Bron: www.bikefitting.com
 
Inspanningsastma

Artikel toegevoegd door: Wouter Gehring

Inspanningsastma
Onderzoekers hebben geconstateerd dat naarmate de inspanning vordert, het volume van de ademteug geringer wordt, terwijl de ademfrequentie blijft stijgen. Dat duidt op inspanningsastma. Een op de vijf topsporters klaagt daarover. Dat heeft enorme implicaties voor het prestatievermogen, maar is goed te behandelen met medicijnen - die overigens weer een prestatiebevorderende bijwerking kunnen hebben en zodoende op de lijst van verboden stimulerende middelen staan. Wees uzelf daarom bewust van het functioneren van uw uw ademhalingsorgaan.

Het ademhalingsorgaan
Het ademhalingsorgaan wordt verdeeld in een bovenste en onderste deel. De neus behoort met de mond-keelholte en het strottenhoofd tot de bovenste luchtwegen. De luchtpijp vormt met de bronchiën en de longblaasjes, die omgeven worden door het borstvlies en de borstkas, de onderste luchtwegen.

Neus en longen
De neus zorgt voor het verwarmen, bevochtigen en reinigen van de ingeademde lucht, doch heeft een beperkte capaciteit. Hierdoor is het tijdens inspanning onmogelijk alleen via neusademhaling voldoende lucht in de longen te krijgen. De lagere ademhalingswegen komen dan in aanraking met vaak vuilere en onverwarmde lucht, waardoor de kans op irritatie van de luchtwegen kan toenemen. In de grote hoeveelheden kleine longblaasjes vindt uiteindelijk, nadat de lucht via de keel en bronchiën deze microscopische, tere weefsels heeft bereikt, de uitwisseling van zuurstof en koolzuurgas plaats.

De longen hebben een grote ventilatiecapaciteit, waardoor bij een afname van de longfunctie niet onmiddellijk klachten zullen ontstaan bij sportbeoefening. Dit is anders bij de verschillende soorten aandoeningen van de luchtwegen, zoals die bij een grote groep ogenschijnlijk gezonde mensen kunnen optreden.

Aandoeningen van de luchtwegen
De term chronische aspecifieke respiratoire aandoeningen, afgekort cara, is een verzameling ziekten en symptomen van de luchtwegen, die gepaard gaan met chronisch of herhaaldelijk hoesten, soms met het opgeven van slijm en klachten van kortademigheid of piepen op de borst. Het gemeenschappelijk kenmerk is de belemmering van de ademhaling. Infecties door bacteriën of virussen kunnen de klachten verder doen toenemen.

Cara treedt vaak op als gevolg van een verhoogde gevoeligheid van de luchtwegen voor allerlei stoffen waarmee wij als mens in aanraking komen. Zo kunnen rook, mist, koude lucht en allerlei soorten luchtverontreiniging een overprikkeling van de slijmvliezen van de luchtwegen bewerkstelligen. Bij gezonde mensen zullen deze stoffen en omstandigheden echter niet tot reacties van de ademhalingsorganen leiden.

Sportbeoefening door cara-patienten
Tijdens sportbeoefening neemt de hoeveelheid lucht die de sporter via de luchtwegen transporteert, sterk toe om voldoende zuurstof via de longblaasjes in het bloed te brengen en om het koolzuurgas uit het bloed af te voeren. Cara-patiënten hebben door een verminderde longfunctie een relatief tekort aan ademlucht, en kunnen dus onvoldoende zuurstof naar het bloed brengen. Hierdoor ontstaat benauwdheid en een snellere vermoeidheid. Veel mensen hebben onder die omstandigheden de neiging om hun sportactiviteiten te beperken, zodat de conditie gaat afnemen. Een vicieuze cirkel, die niet in het belang is van de gezondheid van de sporter met cara. Sportbeoefening met cara is goed en verantwoord mogelijk. De conditie van hart en vaten neemt toe, de longfunctie verbetert, en kracht en uithoudingsvermogen van de spieren - dus ook van de ademhalingsspieren - worden vergroot.

Regelmatige lichamelijke inspanning met een zo goed mogelijke longfunctie dient dus het doel van iedere atleet met cara te zijn. De training behoort geleidelijk in intensiteit toe te nemen, om benauwdheden en hoestprikkels zoveel mogelijk te voorkomen. Een verbeterde longfunctie zal de conditie positief beïnvloeden en de sporter meer zelfvertrouwen schenken.

Medicijngebruik bij aandoeningen aan de luchtwegen
Sportbeoefening is met medicijnen meestal heel goed mogelijk, al moet bedacht worden dat sommige van deze middelen op de dopinglijst staan. Dit heeft in het verleden al menigmaal geleid tot diskwalificatie van sporters met cara, die met behulp van medicijnen hun prestaties wilden normaliseren. Topsporters moeten dus alert blijven bij het gebruik van deze op zich nuttige geneesmiddelen.

Indien er een luchtweginfectie ontstaat, worden vaak antibiotica gegeven om verdere beschadiging van de luchtwegen en complicaties als een longontsteking te vermijden. Bij algemene malaise en koorts is sportbeoefening slecht. De training kan pas weer voorzichtig hervat worden als deze verschijnselen verdwenen zijn. Overleg met de behandelend arts is in dit geval raadzaam.

Inspanningsastma
Ongeveer vijf tot tien minuten na het begin van de sportbeoefening merken sommige sporters dat de ademhaling moeilijker wordt. Vooral de uitademing is belemmerd door een vernauwing van de luchtwegen. De piepende uitademing, soms met wat hoesten, blijft ook nog enige tijd na het stoppen met de inspanning aanwezig en verdwijnt dan geleidelijk.

Als verklaring voor dit fenomeen wordt gedacht aan een reactie van de luchtwegen door afkoeling van de slijmvliezen. De afkoeling en verontreiniging zijn het grootst bij het met wijd open mond inademen van koude, droge lucht. Tempo- of intervaltraining in koude weersomstandigheden, zoals we die hier zo vaak kennen, vergroot de kans op dit soort klachten.

Er zijn genoeg medicijnen via de huisarts verkrijgbaar, die de reactie van de luchtwegen op inspanning kunnen beperken. Wanneer deze middelen van tevoren via bijvoorbeeld een inhalator of aërosol worden toegediend, dan is sportbeoefening vaak klachtenvrij of met aanmerkelijk minder klachten mogelijk. Een goede en geleidelijk opgebouwde warming-up kan de ernst van de klachten van inspanningsastma ook beperken. Tevens zal hopelijk duidelijk zijn dat sporten op smogrijke dagen in de zomerperiode vooral voor mensen met aanleg voor luchtwegklachten sterk af te raden is.

 
Het gevecht tegen de disco

Artikel toegevoegd door: Wouter Gehring

Kun je een profwielrenner maken?
In 1980 won Joop Zoetemelk de Tour de France. Het wordt weer eens tijd dat er een nieuwe Nederlandse Tourwinnaar komt. Maar wie? In het land wordt daar hard aan gewerkt door jeugdtrainers, wedstrijdorganisatoren en ploegleiders. En misschien is Thomas Dekker wel die nieuwe wielerkampioen.

Dikke tranen biggelen over de wangen van de kleine Taco. Net na de start van de grote finale op de finaledag van de Rabobank Dikke-Bandenrace kwam hij ten val en hij heeft zich flink bezeerd aan zijn knie. Dromen aan diggelen, carrières in de kiem gesmoord. Gelukkig is de echte prof Steven de Jongh in de buurt om de kleine wielrenner een hart onder de riem te steken. Dat werkt, want Taco’s tranen verdwijnen als sneeuw voor de zon en even later kan hij meedoen aan de herstart. Ruim 250 kinderen zoals Taco, die in de dikkebandenraces in het land een plaatsje hadden veroverd, stonden op 16 oktober op het wielerparcours van RTV de Bollenstreek in Lisse aan de start van de landelijke finale. Zij hadden het kostelijk naar hun zin: echt wielrennen op een echt parcours met een echte speaker en echte profs die de prijzen uitreikten. Rabo-profs Steven de Jongh, Maarten den Bakker en Bas Giling waren er om de kleintjes succes te wensen. Het was de tweede keer dat voor de plaatselijke races een landelijke finale werd gehouden. De dikke-bandenraces zijn een gezamenlijk initiatief van de bank en de KNWU, plaatselijke organisaties voeren de wedstrijden uit. Ze passen in het kader van het Rabobank-wielerplan, dat het wielrennen in Nederland een stimulans wil geven. Rond wielerkoersen in het land kunnen kinderen die tussen 1992 en 1997 geboren zijn op hun eigen fiets een wedstrijd fietsen volgens het stramien van de KNWU. Het doel is de kinderen in aanraking te brengen met het wielrennen, ze vervolgens aan het fietsen te krijgen, zodat ‘we’ over een jaar of wat weer een Tour de France-winnaar hebben. Want als er maar veel mensen fietsen, is de kans groter dat er een kampioen tussen zit, beaamt Peter Zijerveld. De oud-prof is bij de Unie verantwoordelijk voor het jeugdwielrennen, een belangrijk aandachtspunt. “We hebben een draaiboek in elkaar gezet om organisaties te helpen een dikke-bandenrace te organiseren. Helmen stellen we bijvoorbeeld gratis beschikbaar. Zo willen we de jeugd weer aan het fietsen krijgen. Maar we doen nog meer. We zijn als een promotieteam scholen afgegaan om het wielrennen bekender te maken. Het resultaat van die inspanningen is dat we dit jaar 17 procent meer jeugdwielrenners hebben, terwijl er het jaar ervoor 23 procent meer waren.”

Beugel
De jeugdrennertjes van de Nieuwegeinse wielervereniging Het Stadion bevechten elkaar op de fiets of hun leven ervan afhangt. Veel van hen zijn via de dikke-bandenraces aan het wielrennen geslagen en op de training leren ze de fijne kneepjes van het wielervak. Vier pionnen markeren het strijdtoneel; wie voet aan de grond zet of buiten de pionnen komt, is af. De kleinste van het stel werpt zich vol bravoure in de strijd. Wie hem zo druk bezig ziet met zijn beugel in de mond, zijn veel te grote fiets en zijn nogal oversized fietskleding, kan alleen maar glimlachen. Even later schreeuwt hij het als trotse winnaar uit. Trainer Jan Haaksman staat er glunderend naar te kijken. Elke dinsdag en donderdag verzorgt hij, voorafgaand aan de clubwedstrijd van de amateurs, de jeugdtraining op het eigen, afgesloten parcours in de oksel van de A12 en de A2. Hij doet het niet in zijn eentje, want er zijn soms wel drie trainers actief. “Jeugdtraining geven is zo leuk! Het houdt me jong”, zegt de vutter. Haaksman is een kwart eeuw geleden in het jeugdwerk gerold toen zijn drie zoons de ‘fietsbare’ leeftijd kregen. Hij groeide met ze mee tot bij de amateurs, waar hij ploegleider werd. Via de KNWU haalde hij de benodigde diploma’s. Toen Het Stadion tien jaar geleden een eigen parcours kreeg en zijn zoons het zonder hem ook wel afkonden, ging hij terug naar de jeugd. “Ik vond dat we onze jeugd een kans moesten bieden. Vandaar dat ik een jeugdplan heb geschreven, dat door het bestuur werd aangenomen.” Pijler van het plan is fietsplezier. Haaksman: “Plezier is voor de jeugd de basis van het wielrennen. Belangrijker nog dan hard fietsen. Je kunt op jonge leeftijd niet zien of ze prof kunnen worden. Een prof is niet te maken. Wie weet haken talentvolle jeugdrennertjes later af omdat ze het niet leuk meer vinden. Vandaar dat we vooral op plezier trainen. Op dinsdag gaat dat spelenderwijs. Oefeningen als een bal van een pion pakken of tussen de pionnen door slalommen. Natuurlijk trainen we ook op interval, maar ik verstop het zo dat ze het niet eens in de gaten hebben. Zo voelen de rennertjes zich thuis op de fiets. Op donderdag rijden we dan een wedstrijdje.” Dat wielrennen een dure sport is, hoeft rennertjes in spe niet te weerhouden. Het Stadion heeft eigen fietsen, die de jeugdleden in huurkoop kunnen gebruiken. “Ik ben eens naar fietsenwinkel Van Tuyl gestapt, een sponsor. Daar heb ik fietsen gekocht die geschikt zijn voor jeugdwielrennen. Daarnaast hebben leden gebruikt materiaal gedoneerd, waarvan wij fietsen hebben gebouwd. Die geven we door aan kinderen die bij ons komen fietsen. Met een helm, kleding en lidmaatschap zijn de ouders iets van 100 euro per jaar kwijt.”

Heel zware sport
In al zijn jaren is er nooit een discipel van Haaksman doorgedrongen tot de top, maar de vriendelijke jeugdtrainer maalt er niet om. Fietsen is ook maar een hobby, vindt hij. “School is veel belangrijker. Wielrennen is een heel zware sport, slechts weinig renners halen zelfs maar de amateurs. Als het allemaal wat fanatieker wordt, moeten ze het vol zien te houden. Maar de disco en het vriendinnetje zijn dan heel verleidelijk.” Volgens Peter Zijerveld zijn verenigingen als Het Stadion de ideale plaats om als jong wielrennertje met fietsen te beginnen. “Een club met fietsjes en trainers, kortom: een club die zich druk maakt om de jeugd.” Binnen de KNWU maakt hij zich sterk om welwillende verenigingen zo goed mogelijk te helpen bij het begeleiden van de jeugd. Zo zijn er opleidingen en zo verzorgt de KNWU ook oefenstof, speciaal voor jonge fietsertjes. “Veel clubs drijven op welwillende ouders. Wij willen ze steunen en de opleiding verbeteren door leskaarten aan te bieden. Elke kaart heeft een compleet trainingsprogramma. Die pak je erbij en je kunt aan de slag.” Hij hamert erop dat er nog niet te veel aandacht wordt gegeven aan het presteren. “Niet meteen richten op een fietsloopbaan. Een prof is niet een-twee-drie te maken. Het is veel belangrijker vaardigheden te leren waar de rennertjes later ook wat aan hebben: overnemen, sturen. Laat ze ook maar kennismaken met veldrijden en baanwielrennen. Dan leren ze waar hun talenten liggen. Niet iedereen is een wegwielrenner”, vindt de voormalig beroepsrenner.

Afhakers
Ook Zijerveld ziet plezier als voornaamste aandachtspunt. De jeugd aan het fietsen krijgen is één, maar ze aan het fietsen houden is twee. “De meeste afhakers zitten inderdaad tussen de 16 en 21 jaar. Ze hebben te veel afleiding, wordt dan gezegd. Maar ik vind niet dat het verkeerd is om op die leeftijd eens flink uit de band te springen. Eerder wordt het wielrennen dan al te serieus benaderd. Maar ik denk ook dat we wat aan de uitstraling van het koersen moeten doen. Ik hoor nog vaak Corry en de Rekels langs het parcours. Nou, mijn zoon wil zijn vriendin dan echt niet meenemen hoor. Bij het skateboarden bruist het wel. Wielrennen moet meer bruisen, meer MTV worden.” Aan die omschrijving voldoet het grootste talent van Nederland, Thomas Dekker, zeker. Blits haar en niet op zijn mondje gevallen: best wel een coole vent. De Noord-Hollander kwam met fietsen in aanraking door een ander groot talent, Bas Giling. “Ik schaatste samen met Bas en hij zei dat ik eens een keer mee moest gaan fietsen in de zomer. Dan bleef je conditie op peil.” Het verhaal gaat dat hij als beginneling de geoefende Bas zo’n beetje alle hoeken van Noord- Holland heeft laten zien. Waarop Thomas is gaan fietsen. Al in zijn eerste koersen bij de jeugd en de nieuwelingen was Dekker succesvol. Zo succesvol, dat hij Nederland mocht vertegenwoordigen op het EK. Hij vertelt het alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, en misschien is het voor het natuurtalent ook wel zo. “Dat was een leuke tijd. We trokken naar alle wedstrijden. Voor mijn ouders was dat best wel een belasting. Vaak waren we het hele weekeind onderweg met de auto. Ook moest er een racefiets komen.” Bij de junioren kwam Dekker in het opleidingstraject van het Rabo-wielerplan terecht. “Vooral door mijn ouders was dat een zegen. Nu kreeg ik een fiets en hoefden ze niet overal
meer naartoe!” Na de junioren stroomde Dekker door naar het belofteteam van de bank, volgend jaar zet hij de laatste stap, naar de hoofdmacht van de Rabobank-wielerploeg. De laatste twee maanden liep hij al stage en won meteen een etappe tussen de grote jongens in de Ronde van Rheinland-Pfalz. Voor Danilo Hondo en zijn naamgenoot Erik. Zijn naam was gevestigd. De disco vormt voor de 20-jarige Dekker geen bedreiging. “Ik ben zo vaak onderweg dat stappen er niet al te vaak van komt, zeker niet in het seizoen. Maar zo erg is het niet om af en toe eens uit te gaan. Maar na mijn laatste koers van het seizoen, dan mag het echt. Dan krijgen mijn vrienden weer aandacht. Reken maar dat dan de vlag uit gaat!” Als iemand de nieuwe wielerkampioen kan worden, is het wel Thomas Dekker, zo zeggen de kenners. “Ja, dat hoor ik ook vaak. Ik haal er maar mijn schouders over op. Ik doe mijn best en vind wielrennen gewoon leuk.” Het is, samen met een natuurlijk talent, de basis van een profloopbaan.

 
Hoe harder, hoe meer schaatskuchjes

Artikel toegevoegd door: Wouter Gehring

Omdat het steeds maar sneller moet, krijgen topschaatsers in ijshallen, vooral op de 1500 meter - waarbij ze extreem diep gaan - last van kuchjes waarbij ook bloed kan worden opgehoest. Het zogenaamde 1500 meter-hoestje. Ook op de 3 en 5 km komt dit steeds vaker voor. Het hoestje begint al na 1000 m, de 500 meter is net te kort.

Volgens de Heerenveense longarts Jaap Westbroek spelen hierbij twee factoren een rol. Een daarvan is de droge en koude lucht in de schaatshallen, die zorgt voor uitdroging van de slijmvliezen. Dat veroorzaakt een hoestprikkel. Daarnaast worden de longen door de hevige inspanning wat stugger. Voortdurend worden ze van extra bloed voorzien en er ontstaan veranderingen in de rek van de longen. Tijdens inspanning neemt het adem-minuut-volume sterk toe en daarmee de zuurstofvoorziening of luchtverversing van de longen. Maar dat gebeurt met droge, koude lucht. De 300 miljoen longblaasjes worden omsponnen door een zeer dicht net van uiterst dunne haar(bloed)vaatjes. Wanneer er sprake is van het meekomen van bloed, dan was we al een zekere kwetsbaarheid als gevolg van eerder geleverde grote inspanningen. Gelukkig blijft het 1500 meter-hoestje meestal beperkt tot kuchjes en slijmvorming.

Wie er een gewoonte van maakt om wekelijks een paar keer zo diep te gaan, riskeert volgens Westbroek op den duur blijvende longafwijkingen, zij het dat deze wel gering zijn.

 
Uitgeslapen Presteren

Artikel toegevoegd door: Wouter Gehring

Je hebt keihard getraind voor de Marmotte. Maar dan lig je de avond te voren te woelen in een vreemd bed. Hoe kun je toch lekker slapen, zodat je de volgende dag een goede prestatie kunt neerzetten? En hoe erg het is als je toch een keer wakker ligt. Achtergronden en tips.

De nacht voor de tocht van het jaar lig je in een vreemd bed te woelen, je maat snurkt naast je en auto’s razen onder je raam. Tot overmaat van ramp gaat de wekker al om vijf uur, omdat je twee uur later fit aan de start moet staan. Je voelt je die ochtend echter gebroken. Moet je nu bang zijn dat alle trainingen voor niets zijn geweest of valt er nog iets te redden? Ries Simons is arts en werkt bij TNO Technische Menskunde, waar hij onderzoekt welke invloed slaapproblemen hebben in beroepen als piloot en buschauffeur. Simons: “Wat we vooral weten, is dat door een nacht slecht slapen de alertheid en het reactievermogen sterk afnemen. Dit betekent dat er tijdens het fietsen meer kans op foutjes is, en dat renners bijvoorbeeld niet alert genoeg zullen reageren op tegenstanders. Er is minder bekend over de invloed op fysieke prestaties. Slecht slapen verlaagt met name de anaërobe prestatie iets. Het effect op het duurvermogen is onvoldoende onderzocht, maar het zal wel afnemen als je in enkele dagen een slaaptekort van meer dan vijf à acht uur hebt opgebouwd. Harm Jansen, die recent gestopt is als beroepsrenner en in de Verenigde Staten woont, had als tiener weinig slaap nodig en is sindsdien geïntrigeerd door het hoe en waarom van slapen. Hij heeft meermalen na een nacht slecht slapen gekoerst. Harm: “Ik vloog eens naar Nederland voor een van de criteria na de Tour, in Boxmeer. Ik had vijftien dagen achter elkaar gekoerst in Amerika, en had vertraging met de vlucht waardoor ik de hele nacht moest doorvliegen. Dan moet je je niet druk maken. Eenmaal in Nederland aangekomen, ben ik om drie uur ‘s nachts Amerikaanse tijd naar bed gegaan. Na vijf uur werd ik wakker, dat was vijf uur ‘s middags in Nederland. Er wordt in z’n criterium natuurlijk niet hard gereden, maar ik voelde toch dat ik ontzettend goede benen had die dag. Mijn ervaring is dat je lichaam in een soort alarmfase verkeert. Ook als je flink doorzakt, dan kun je je de volgende dag zo gigantisch sterk voelen. Maar je betaalt wel een prijs. De twee of drie avonden na dat criterium in Boxmeer kon ik helemaal niks. Toen reed ik een beetje in de rondte. Iedereen was aan het praten, terwijl ik met van die kleine oogjes op de fiets zat. Ik kon het net rustig uitrijden.” Harm heeft dus zelf gunstige ervaringen met koersen na een slechte nacht, en zag dit ook bij anderen. Schertsend zegt hij: “Zo’n situatie zou je bijna willen hercreëren voor een belangrijke wedstrijd, maar normaal gesproken durf je gewoon niet. Ik heb wel eens zes biertjes gedronken de avond voor een amateur-NK. Ik voelde me super maar werd helaas tweede.” Simons: “Onderzoek naar het effect van weinig slapen op de prestatie van een topsporter is eigenlijk niet mogelijk. Er spelen zoveel factoren mee. Na een nacht slecht slapen, kan een sporter zich zo oppeppen dat het slecht slapen niet meer meetelt. Maar als de sporter zich druk maakt omdat hij slecht heeft geslapen, dan wordt het vaak niks. Het is altijd beter om je goed voor te bereiden, waar een goede slaap bijhoort. Maar als dat slapen niet lukt, dan wil dat niet zeggen dat je meteen slecht presteert.”

Slaap hard nodig
Tijdens de slaap recupeer je van de dag ervoor. Het lichaam herstelt schades en de geest verwerkt de indrukken van overdag. Een volwassene heeft daarvoor gemiddeld zeven tot acht uur nodig. Op welke manier slapen precies zo’n gunstig effect heeft, is nog niet bekend. Wel is duidelijk dat hormonen een rol spelen. Tijdens de slaap pieken de niveaus van melatonine, dat wordt uitgescheiden door de pijnappelklier, en van groeihormoon. Wat melatonine doet, is niet goed bekend. Groeihormoon heeft een rol in de wederopbouw van het lichaam. Iedereen wisselt in de slaap REM-perioden, waarin de ogen snel heen en weer gaan (Rapid Eye Movements), af met perioden zonder REM. Zo’n cyclus duurt ongeveer negentig minuten en herhaalt zich in de nacht een aantal keren. Sporten heeft enige invloed op de duur van de slaap. Sporten kan de slaap zowel verlengen als verkorten. Ten opzichte van een zittend bestaan maakt enige inspanning, bijvoorbeeld overdag een uur wandelen, het slapen makkelijker. Dat geldt niet voor trainen in de uren voor het slapen, want dan wordt het juist moeilijker om in te slapen. Harm: “Als ik normaal train en wedstrijden rij, dan ga ik om elf uur naar bed en word ik om zeven uur wakker. Als de trainingsintensiteit omhoog gaat, dan slaap ik langer. Maar als het heel intensief wordt, tijdens etappekoersen, dan slaap ik juist korter, van elf tot vijf.” Wat gelijkmatiger slaapt Leontien Zijlaardvan Moorsel: “Wel of niet in training zijn, maakt geen verschil. Als ik lekker in mijn vel zit, dan slaap ik lekker. Alleen heb ik een keer na de Tour de France slecht geslapen. Ik kon bijna niet meer slapen. Ik sliep pas tegen de ochtend in, en dan een paar uurtjes. Je raakt in paniek als je op bed ligt en je kunt niet slapen. Normaal is mijn ene been nog niet binnen of ik slaap al. Bij die Tour wilde ik de tijdrit goed rijden en de ploegentijdrit winnen. Ik had de lat voor mezelf te hoog gelegd. Je werkt dan gewoon boven je kunnen en krijgt een minimaal herstel. Toen ik terugkwam van de Tour was mijn lichaam helemaal uit balans.” Ongeveer anderhalve maand na de Tour sliep Leontien weer als een roosje. Om goed te slapen moet je dus niet te weinig doen, maar ook niet te veel. Maar helpt veel slapen misschien wel om beter te gaan presteren? Harm Jansen: “Mensen zijn er vaak op gepind om extra te slapen, maar als je te veel slaapt gaan je hormoonspiegels omlaag. Als je de hele dag op je nest ligt, dan word je slap, een doetje.” Simons sluit zich daarbij aan: “Wie meer gaat trainen, heeft aan de normale uren goede slaap genoeg. Als je veel traint, moet je meer rusten, maar je hoeft geen twaalf uur te slapen.”

Beter slapen
Het is dus belangrijk om aan de normale goede slaap van zeven tot negen uur te komen. In de ervaring van Jansen is regelmaat daarvoor het belangrijkste. Inspanning werkt positief, maar niet in de uren voor het slapengaan. Cafeïnehoudende dranken, zoals koffie, thee en sommige frisdranken, chocolade, en een zware maaltijd vlak voor bedtijd belemmeren de slaap, terwijl een ontspannen periode de slaap makkelijker doet komen. Voor wie slecht inslaapt, is het aloude schaapjes tellen geen goede oplossing, zo bleek recent uit onderzoek aan de Universiteit van Oxford. De onderzoekers vroegen slechte slapers om schaapjes te tellen of om zich een ontspannen scène voor te stellen, zoals een waterval of vakantie aan het strand. Proefpersonen die zich een ontspannen scène voorstelden, sliepen gemiddeld twintig minuten eerder in dan de schaapjestellers. Alcohol als slaapmutsje is evenmin aan te raden. Simons: “Je slaapt er weliswaar eerder van in, maar het verstoort de slaap.” De Algerijnse wielrenner Abdelkader Zaaf deed daar ervaring mee op. Hij reed in 1950 op kop in een etappe van de Tour de France. Het was heet, en hij had dorst. Die leste hij niet alleen met water, maar ook met een fles wijn. Dat maakte hem moe, zodat hij afstapte en in de schaduw van een plataan ging rusten. Daarbij viel hij in slaap. Toen hij even later ontwaakte, stapte hij weer op de fiets om de race te vervolgen. Maar wel de verkeerde kant op. Ook over andere middeltjes is Simons niet enthousiast: “Wie de volgende dag moet presteren, kan beter geen slaapmiddelen gebruiken, en zeker geen middel uit de klasse van de benzodiazepinen, zoals diazepam (Valium), temazepam (Normison) of nitrazepam (Mogadon), want die geven spierverslapping en werken lang. Er zijn ook na-effecten, zoals dufheid. Valeriaan kan niet veel kwaad, maar het slaapverwekkende effect is, evenals dat van melatonine, niet bewezen. Deze middeltjes hebben mogelijk wel een psychologisch effect. Je denkt dat ze werken, en daarom ben je rustig en val je vervolgens in slaap.” Jansen slaapt tegenwoordig beter dan vroeger. Hoe heeft hij dat aangeleerd? “Door een ander psychologisch standpunt in te nemen. Als ik volgens mijn morele ethiek, netjes, zoals het hoort, leef, dan ben ik op dat moment in harmonie met alles, en slaap ik goed. Het vreet aan je, als je je niet volgens je eigen morele ethiek gedraagt. Dan slaap ik slecht. Ik was als kind onrustig, op zoek naar wat voor persoon ik was. Nu heb ik zelfvertrouwen. En als je optimaal in leven staat, dan presteer je optimaal in de sport.”

Jetlag
Een extra verstoring van de slaap treedt bij veel mensen op na het vliegen over meerdere tijdzones. Je wilt slapen tijdens besprekingen, en eten als de restaurants dicht zijn. Je bent moe, je kunt je slecht concentreren en je raakt eerder geïrriteerd. Kortom, de jetlag heeft toegeslagen. Simons heeft voor NOC*NSF een rapport geschreven over de invloed van de jetlag op sportprestaties en twee deelnemers aan de Olympische Spelen van Sydney begeleid. Hij zegt: “Naar Amerika, het westen, vliegen ligt ons iets beter dan naar het oosten, want we kunnen er beter tegen wanneer de dag langer wordt, dan korter. Maar er zijn enorm grote individuele verschillen. Gemiddeld rekenen we met ongeveer een dag jetlagsymptomen op elk uur tijdsverschil. Na een reis met zes uur tijdsverschil nemen de eerste dagen na aankomst de prestaties met ongeveer tien procent af.” Het gebruik van melatonine na een vliegreis vermindert bij de helft van de mensen de symptomen van de jetlag. Een probleem is de kwaliteit van melatonine, want er is geen controle van overheidswege op de hoeveelheid melatonine in de pil en op de zuiverheid van de geleverde stof. Een andere strategie om de jetlag tegen te gaan, is om vooraf de eigen ‘klok’ te verzetten naar de klok van de plaats waar je moet presteren. Harm Jansen woont in Californië aan de westkust: “Om de week moest ik aan de oostkust koersen, dan ging ik gedurende enkele maanden ‘s avonds om acht uur al naar bed, en ging ik om vijf uur de hond uitlaten. En als ik korte tijd in Nederland was, dan hield ik het ritme van de Amerikaanse oostkust aan, dus ik ging van ‘s ochtends vijf tot ‘s middags twee uur naar bed. Maar dat was sociaal gezien niet handig.” Over slecht slapen in het algemeen concludeert Jansen: “Er is een groot verschil tussen slecht slapen en kort slapen. Kort slapen maakt niets uit en is soms beter. Slecht slapen komt doordat je te druk bent bezig geweest, doordat je ziek bent of wordt of je je ergens druk om maakt, misschien wel om de korte nachtrust. De wedstrijd kun je dan sowieso vergeten. Jammer, maar van een dagje niks kunnen, ga je heus niet dood. Het heeft trouwens toch geen nut om je daar ’s nachts druk om te maken: je ligt in bed, wat kun je nog voor je prestatie doen? Lekker gestresst met gebalde vuistjes slaap proberen af te dwingen?”


TIEN TIPS OM OP REIS BETER TE SLAPEN

  1. Verzamel al je spullen (paspoort, ticket, pinpas, reservematerialen voor de fiets, sportdranken, tussendoortjes, kleding, schoenen, eventuele medicijnen) ruimschoots voor vertrek.
  2. Slaap voldoende vóórdat je op reis gaat.
  3. Houd zo veel mogelijk dezelfde slaaptijden aan als normaal.
  4. Als je moet slapen in een auto of bus, sla dan een (dunne) deken om.
  5. Gebruik in bus of auto bij het slapen een (opblaas)kussentje om je hoofd te ondersteunen.
  6. Wanneer je ‘s ochtends aankomt: neem een douche en slaap. Beperk dit dutje tot twee uur.
  7. Houd op reis zo veel als mogelijk dezelfde slaaprituelen aan als thuis.
  8. Maak je slaapplek stil en donker. Gebruik eventueel oordoppen en een ooglapje.
  9. Zorg dat je een tussendoortje bij de hand hebt voor het geval je midden in de nacht hongerig wakker wordt.
  10. Gebruik alcohol niet als slaapmutsje.

WINTERSLAAP
Ongeveer 10 procent van de mensen slaapt in de winter langer, is dan wat futlozer en vermoeider
dan in de zomer, en heeft dan meer trek in koolhydraten. Deze winterdip komt door de afname van
het aantal uren licht en de sterkte ervan. Een middel om deze winterslaap tegen te gaan, is om midden op de dag een uurtje naar buiten te gaan. Dan vang je een hoge intensiteit licht en dat kan de winterdip tegengaan. Meer weten over slapen: www.sleepfoundation.org, National Sleep Foundation, Washington DC.

 
Voorkom griep

Artikel toegevoegd door: Wouter Gehring

In een recente studie over immuniteit en ouderen werden twaalf vrouwen van boven de 65 getest. Deze vrouwen waren allen zeer goed getraind, verkeerden in een uitstekende lichamelijke conditie en namen deel aan veteranenwedstrijden. De immuniteit van deze groep afgetrainde loopsters werd vergeleken met die van een controlegroep van dezelfde leeftijd, met overgewicht en weinig lichaamsbeweging. Bij de meting van de T-celfunctie en de natuurlijke-afweercelfunctie (twee indicatoren van immuniteit) bleek dat beide type cellen 50 tot 55 procent beter functioneerden bij de fitte groep dan bij de niet-fitte groep. Uit een ander onderzoek is echter ook gebleken dat te veel beweging het weerstandsvermogen juist kan onderdrukken. In 1987 zijn meer dan 2000 lopers onderzocht die recent een marathon hadden voltooid. Vastgesteld werd dat dertien procent last had van een infectie aan de bovenste luchtwegen in de week na de marathon, tegen slechts twee procent van de controlegroep die de marathon niet gelopen had. Bovendien bleek dat de lopers die meer dan negentig kilometer per week trainden, twee keer zoveel kans hadden om ziek te worden.

De reden hiervoor is dat het niveau van de stresshormonen, vooral cortisol, de uren na een marathon erg hoog is en daardoor bepaalde cellen van het immuunsysteem onderdrukt. De verhouding neutrofielen/lymfocyten in het bloed (een aanduiding van stress van het immuunsysteem) stijgt eveneens. Dit zorgt ervoor dat men erg vatbaar is voor infecties, en meer dan normaal de kans loopt dat virussen zich in het lichaam gaan splitsen. Het weerstandsvermogen staat onder druk, en dat geeft het virus de gelegenheid vaste voet te krijgen. De conclusie is dat lopers die te hard trainen hun immuunsysteem verzwakken. Maar hoe kan een loper zich nu beschermen tegen griep?

  1. Vermijd contact met mensen die verkouden zijn
    Het zal u niet verbazen: u beperkt de kans op het oplopen van een verkoudheid als u er niet aan blootgesteld wordt. Verkoudheidsvirussen worden zowel verspreid door persoonlijk contact, bijvoorbeeld handen schudden, als door het inademen van lucht in de buurt van zieke mensen.
  2. Was regelmatig uw handen
    Zelfs een deurknop kan latente griepvirussen bevatten. Was daarom in de winter, waarin verkoudheid en griep veel voorkomen, vaker uw handen. Vermijd het aanraken van uw mond, neus en ogen, vooral als u bij iemand bent geweest die ziek is.
  3. Haal een griepinjectie
    Veilig en effectief voor de meeste mensen. Een griepinjectie aan het begin van de winter zorgt ervoor dat de nieuwste virusvariant zich niet in uw lichaam kan nestelen. Dit is met name een goed idee als u van plan bent in de winter een marathon te lopen.
  4. Drink sportdrank voor en na een zware training of wedstrijd
    In een recent onderzoek werd aan dertig goedgetrainde marathonlopers gevraagd om tweeëneenhalf uur op een loopband te lopen en om voor, tijdens en na het lopen sportdrank te drinken. Het aanvullen van de verloren gegane glycogeenvoorraad zorgde ervoor dat het immuunsysteem op peil bleef. Het geheim lijkt te zijn dat de suikerspiegel niet daalt. Daling brengt als reactie een piek in de stresshormoonproductie teweeg, wat weer invloed heeft op de immuniteit.
  5. Vermijd mentale stress
    Alleen al de fysieke stress van een marathontraining, in het bijzonder de verhoging van het aantal kilometers, is genoeg om de kans op verkoudheid en griep te doen toenemen. Voeg daaraan de mentale stress toe en u verdubbel uw kans om ziek te worden.
    In Australië is gedurende zes maanden een groep mensen met veel stress en een groep met weinig stress onderzocht. De eerste groep bleek op twee keer zoveel dagen ziektesymptomen te vertonen. Neem extra voorzorgsmaatregelen tegen ziekte wanneer u bijzonder intensief traint in een emotioneel moeilijke periode. Misschien is het beter om deelname aan een marathon uit te stellen als er een stressvolle periode aan zit te komen, zoals een verandering van baan of een examen.
  6. Wees voorzichtig met afvallen
    Een streng dieet kan het weerstandsvermogen onderdrukken, vooral als u te snel te veel gewicht verliest. Onderzoek toonde aan dat bij personen die gemiddeld 0,7 kilo per week afvielen, de functie van de T-cellen en de natuurlijke-afweercellen verstoord was. Traint u extra hard om af te vallen, dan verhoogt u ook uw kans om ziek te worden.
  7. Houd u aan een evenwichtige voeding
    Het Amerikaanse leger ontdekte dat rekruten tijdens hun opleiding vaak ziek werden. Ze trainden op hoog niveau, hadden minder nachtrust dan normaal en hun voeding bleek dagelijks 2500 tot 3000 calorieën te weinig te bevatten. Ze verloren dus gewicht. De slechte voeding bleek hieraan ten grondslag te liggen. De soldaten kregen te weinig vitaminen en mineralen binnen. De les hieruit? Om uw immuunsysteem te beschermen moet u tijdens perioden van intensieve training goed letten op uw voeding.
  8. Zorg voor voldoende slaap, en op het juiste tijdstip
    Als u niet genoeg slaap krijgt, kan uw weerstand tegen ziekte afnemen. U moet echter ook regelmatig slapen, ieder etmaal hetzelfde aantal uren en ook op hetzelfde tijdstip. Verstoring van uw circadiaanse ritme (uw dagelijkse cyclus) kan uw immuunsysteem beïnvloeden. Daarnaast loopt u risico op aantasting van uw weerstandsvermogen bij het doorkruisen van tijd zones en het verstoren van uw slaap patroon door een jetlag. Train daarom wat minder wanneer u veel en ver moet reizen.
  9. Voorkom overtraining
    U weet dat u vooruitgang kunt boeken door de trainingen sneller of langer te maken. Maar u kunt het ook overdrijven. Juist tijdens perioden van intensieve training staat uw immuunsysteem het meest onder druk. Er is een smalle scheidslijn tussen de training die leidt tot een optimale prestatie, en de training die leidt tot blessures of ziekte. Hoewel atleten van olympisch niveau vaak, zonder een snotneus op te lopen, meer dan tweehonderd kilometer per week trainen, toont epidemiologisch onderzoek aan dat voor de gemiddelde loper honderd kilometer de grens is. Traint u meer, neem dan extra maatregelen: volg de voornoemde adviezen.

Wel of niet trainen met een verkoudheid?
Mocht u ondanks al uw voorzorgsmaatregelen toch ziek worden, moet u dan helemaal stoppen met trainen of kunt u gewoon doorgaan? Veel lopers zijn van mening dat zij bij een gewone verkoudheid zonder koorts hun klachten (verstopte neus, zere keel) kunnen verlichten door met een lagere intensiteit door te blijven trainen. Flink zweten lijkt te helpen, hoewel u er goed op moet letten voor en na de training voldoende vocht binnen te krijgen. In geval van griep moet u echter niet lopen. Griepsymptomen zijn koorts, extreme moeheid, spierpijnen en gezwollen lymfklieren. Blijven trainen vertraagt het herstel. Zelfs wanneer uw symptomen verdwijnen, moet u de training toch nog zo'n twee tot vier weken beperken. Lopers die weer te snel te hard trainen, maken kans op het postvirale vermoeidheidssyndroom (PVS), vergelijkbaar met het chronisch vermoeidheidssyndroom, met dit verschil dat PVS een gevolg is van een virus(infectie). In enkele gevallen zijn mensen zelfs overleden door intensief trainen tijdens een acute virusziekte. Deskundigen adviseren dan ook om tijdens een ziekte niet inspannend te trainen. Indien de symptomen zich echter bevinden in de nek en daarboven, zoals bij de meeste verkoudheden, kan een rustige training geen kwaad.

 
Schaatsen en rugklachten

Artikel toegevoegd door: Aaldert Pol

Veel (top) schaatsers hebben regelmatig te kampen met periodes van rugklachten. In de media komen veel verhalen over rugblessures voor bij schaatsers. Shimizu, Wotherspoon, Annemarie Thomas, Bart Veldkamp enz, enz. Kort geleden heeft zelfs Gunda Nieman haar glansrijke carrière wegens heftige rugklachten moeten stoppen (zie hieronder het artikel over haar van de Gelderlander).  Eigenlijk is dit opmerkelijk, men zou verwachten dat deze atleten met een topconditie en een enorm spierstelsel weinig kans zouden lopen om rugklachten te krijgen.

Rugpijn veroorzaakt door het schaatsen is dus veel voorkomend. Meestal  is het onschuldig en treedt alleen op tijdens het schaatsen zelf. Deze pijn verdwijnt snel wanneer de diepe ``schaatszit´´ opgeheven word, en men zich uitstrekt. In de regel wordt deze ``zeurende´´ pijn alleen veroorzaakt door spiervermoeidheid.


Oorzaak
De schaatshouding is rugbelastend. Het is algemeen bekend dat het overgrote deel van de rugklachten veroorzaakt wordt door een bolle, voorover gebogen houding van de onderrug. Bij deze provocerende houding komen er grote trekkrachten op de tussenwervelschijven. (zie onderstaand grafiek) Hierdoor kunnen dan ook blessuren ontstaan van de tussenwervelschijf. Bij wetenschappelijk onderzoek is aangetoond dat deze vorm van rugklachten veruit het meest voorkomt.


Belasting van de tussenwervelschijf bij verschillende houdingen vlgs. Dr. Nachmelson.

Rugklachten veroorzaakt door overbelasting van de tussenwervelschijf kenmerkt zich o.a. door:

  • Stijfheid en bewegingsbeperking bij het naar voren buigen.
  • Pijnklachten verergeren vooral na lang zitten of bukken
  • Pijn neemt af bij lopen
  • Stijfheid ´s ochtends

Meestal zullen deze rugklachten niet alleen veroorzaakt worden door het schaatsen. In veel gevallen is het een combinatie van verschillende oorzaken, waarbij rugbelastende houdingen in het dagelijks leven misschien wel een grotere oorzaak speelt dan het schaatsen. Als men bijvoorbeeld een zittend beroep heeft en dagelijks een lange autorit maakt, is de kans groot dat wanneer men ´s avonds gaat schaatsen de rug overbelast wordt. De volgende ochtend voelt de rug stijf aan en blijft soms een aantal dagen pijnlijk.

Advies

  • Strek tijdens het schaatsen regelmatig de rug goed uit, dit is zeker bij duurtraining belangrijk. Probeer de passieve, bolle ``katachtige´´  houding te vermijden. Bij deze houding hangt men in de banden van de tussenwervelschijf. Beter is het door de rug iets actief te strekken en de diepe schaatszit uit de heupen en knieën  te halen.
  • Zorg dat de rug goed belastbaar is , het langdurig volhouden van de schaatshouding vergt veel kracht, dit moet door middel van training opgebouwd worden. Het is zinvol om  rugspieren onder deskundige begeleiding te trainen.
  • Wordt tijdens het dagelijks leven bewust van je houding, zorg dat je de rug niet langdurig bol belast, wees vooral attent bij lang zitten en bukken. Strek  je rug regelmatig even uit. Dit ontlast de rug en geeft de rug de kans om zich te herstellen.

Het is aan te raden om een fysiotherapeutisch consult aan te vragen als:

  • Perioden met rugpijn langer aanhouden dan enkele dagen.
  • Rugklachten regelmatig terug komen.
  • Rugpijn uitstraalt naar een of beide benen.
  • Klachten het dagelijks leven beïnvloeden. 

Er is dus geen verwijzing van een arts noodzakelijk. Het consult wordt in de meeste gevallen door de zorgverzekeraar vergoed.